Besluit over de bescherming van grondwater voor de productie van proceswater bestemd voor de vervaardiging van voedingsmiddelen tegen verontreiniging met biociden of andere producten die na aanwending grondwater kunnen verontreinigen

Dit besluit beschermt grondwater voor de voedselproductie met beschermingszones en regels die het gebruik en de opslag van schadelijke stoffen, zoals ontsmettingsmiddelen, beperken.
Samenvatting in gewone taal
Dit besluit beschermt grondwater dat bedrijven oppompen om proceswater te maken voor de productie van voeding. Zo voorkomen we dat dit water vervuild raakt door biociden (middelen tegen ongewenste organismen) en andere chemische producten. Denk aan detergenten, ontsmettings- en reinigingsmiddelen, onkruidverdelgers voor niet-landbouw en dooimiddelen. Dat is goed voor voedingsbedrijven, voor de kwaliteit en veiligheid van voeding, én voor het milieu en omwonenden. Rond elke put of installatie waar grondwater voor proceswater wordt opgepompt duidt de Vlaamse overheid beschermingszones aan. In beschermingszone I, vlak rond de winning, zijn handelingen die vervuiling kunnen veroorzaken strikt verboden. In beschermingszone II, ruimer rond de winning, mag gebruiken, opslaan en toepassen van de genoemde producten alleen onder voorwaarden en met beperkingen. Het besluit legt ook vast hoe er wordt opgevolgd en gerapporteerd, en hoe de overheid handhaaft. Uitbaters en iedereen die deze producten gebruikt of opslaat in de zones, moeten de regels volgen. De regels gelden vanaf 1 september 2025.
Documenttype
Besluit
Publicatiedatum
19 mei 2026
Status
Geldig
Trefwoorden
grondwater proceswater voedingsmiddelensector biociden beschermingsgebieden waterkwaliteit

De Vlaamse Regering,

Gelet op het decreet van 14 juli 2017 betreffende de bescherming en het duurzaam beheer van het grondwater in het Vlaamse Gewest;

Gelet op het decreet van 28 februari 2019 betreffende de kwaliteit en de beschikbaarheid van proceswater voor de voedingsmiddelensector;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 23 oktober 2020 betreffende het gebruik, de opslag en het op de markt aanbieden van biociden op het grondgebied van het Vlaamse Gewest;

Gelet op het advies van de Vlaamse Milieumaatschappij, gegeven op 3 maart 2025;

Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 21 maart 2025;

Gelet op het advies van de Strategische Adviesraad voor Omgeving en Natuur, gegeven op 10 april 2025;

Gelet op de besluitvorming van de Vlaamse Regering op 16 mei 2025;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Omgeving;

Na beraadslaging,

Besluit:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. ( 01/09/2025 - Toepassingsgebied en doel )

Dit besluit regelt de bescherming van grondwater dat wordt onttrokken voor de productie van proceswater bestemd voor de vervaardiging van voedingsmiddelen, tegen verontreiniging door biociden of door andere producten die na aanwending tot grondwaterverontreiniging kunnen leiden. Het besluit bepaalt de afbakening van beschermingsgebieden, de verbods- en voorwaardenkaders voor het gebruik, de opslag en de aanwending van bedoelde producten binnen die gebieden, alsook de monitoring-, rapporterings- en handhavingsmodaliteiten.

Artikel 2. ( 01/09/2025 - Definities )

Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:

  1. proceswater: water dat in de voedingsmiddelensector wordt gebruikt in productieprocessen, reiniging, spoeling, koeling of als hulpstof, zonder noodzakelijkerwijze het eindproduct te worden;
  2. grondwaterwinning voor proceswater: een vergunde onttrekking van grondwater waarvan het water geheel of gedeeltelijk wordt ingezet als proceswater in de voedingsmiddelensector;
  3. biocide: een stof of een mengsel dat een of meer werkzame stoffen bevat, met de bedoeling organismen te vernietigen, af te weren, onschadelijk te maken, hun effecten te verhinderen of anderszins te bestrijden, ongeacht de toedieningswijze;
  4. andere producten die na aanwending grondwater kunnen verontreinigen: chemische stoffen of mengsels, met inbegrip van detergenten, oppervlakte-actieve stoffen, ontsmettings- en reinigingsmiddelen, onkruidverdelgers voor niet-landbouwkundig gebruik en dooimiddelen, die door lozing, uitloging of infiltratie in de bodem een nadelige invloed kunnen hebben op de kwaliteit van het grondwater;
  5. beschermingszone I: de onmiddellijke beschermingszone rond een winning zoals bepaald in artikel 3, waarin een strikt verbod geldt op potentieel verontreinigende handelingen;
  6. beschermingszone II: de uitgestelde beschermingszone rond een winning zoals bepaald in artikel 3, waarin voorwaarden en beperkingen gelden op potentieel verontreinigende handelingen;
  7. kwetsbare infiltratiezone: een zone die, op basis van hydrogeologische kenmerken, hoge infiltratiegevoeligheid of snelle stromingstrajecten naar de winning vertoont, zoals bepaald in artikel 3;
  8. exploitant van de winning: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die de grondwaterwinning voor proceswater beheert en uitbaat;
  9. toepasser: elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die biociden of andere producten zoals bedoeld in dit besluit gebruikt, aanwendt, mengt of opslaat;
  10. vloeistofdichte vloer: een voorziening die voorkomt dat vloeistoffen in de ondergrond kunnen dringen en die voldoet aan een door de Vlaamse overheid gepubliceerde richtlijn inzake vloeistofdichtheid voor milieubeschermende voorzieningen.

Artikel 3. ( 01/09/2025 - Afbakening en bekendmaking van beschermingszones )

  1. Rond elke grondwaterwinning voor proceswater wordt een beschermingszone I afgebakend met een straal van 100 meter, gemeten vanaf de projectie van het middelpunt van de filtersectie aan maaiveld, bepaald via een RTK-GNSS-opmeting met horizontale nauwkeurigheid van ten hoogste 0,03 meter in het Lambert 72-coördinatenstelsel (EPSG:31370), tenzij een specifieke hydrogeologische studie een kleinere of grotere straal, met een minimum van 50 meter en een maximum van 250 meter, verantwoordt.
  2. Rond elke grondwaterwinning voor proceswater wordt een beschermingszone II afgebakend met een straal van 300 meter, gemeten vanaf de buitengrens van beschermingszone I, tenzij een specifieke hydrogeologische studie een kleinere of grotere straal, met een minimum van 150 meter en een maximum van 600 meter, verantwoordt.
  3. De kwetsbare infiltratiezone omvat delen van het bodem- en watersysteem met hoge doorlatendheid, beperkte bodembeschermingscapaciteit of rechtstreekse afstroming naar infiltratiestructuren die hydrologisch verbonden zijn met de winning, en wordt bepaald op basis van modellering door of in opdracht van de Vlaamse Milieumaatschappij.
  4. De afbakening van de in dit artikel bedoelde zones wordt cartografisch vastgesteld en publiek bekendgemaakt via het Vlaams Grondwaterportaal, in de formaten GML en GeoJSON op schaal 1:2.500 met coördinatenreferentie EPSG:31370 en metadataprofiel conform de INSPIRE-richtlijn. De exploitant van de winning en de betrokken gemeenten worden individueel in kennis gesteld.
  5. Indien meerdere winningsputten binnen eenzelfde inrichting aanwezig zijn, wordt één gezamenlijke afbakening opgesteld die de cumulatieve invloedssfeer dekt.

Hoofdstuk 2. Verboden, beperkingen en voorwaarden

Artikel 4. ( 01/09/2025 - Verboden in beschermingszone I )

In beschermingszone I zijn de volgende handelingen verboden:

  1. het gebruik, de aanwending, het mengen of het bereiden van biociden en van andere producten die na aanwending grondwater kunnen verontreinigen;
  2. de opslag, inclusief tijdelijke opslag, van bedoelde producten, ongeacht de verpakkingsgrootte of -vorm;
  3. het reinigen, spoelen of onderhoud van materiaal, recipiënten, vervoermiddelen of toepassingen die met bedoelde producten in contact zijn geweest;
  4. elke lozing, directe of indirecte, naar bodem, drainagesystemen, infiltratievoorzieningen of oppervlaktewateren die hydraulisch verbonden zijn met de watervoerende laag van de winning;
  5. het aanwenden van dooimiddelen, mos- en algverwijderaars of onkruidverdelgers op verhardingen, taluds, bermen of onverharde stroken.
De exploitant van de winning brengt de grens van beschermingszone I ter plaatse op een duurzame wijze aan door signalisatie of markering, zonder afbreuk te doen aan eigendomsrechten.

Artikel 5. ( 01/09/2025 - Beperkingen en voorwaarden in beschermingszone II )

In beschermingszone II gelden de volgende beperkingen en voorwaarden:

  1. het aanwenden van biociden en andere producten zoals bedoeld in artikel 2, 4°, is verboden op onverharde oppervlakken en op verhardingen met directe infiltratie of afvoer naar de bodem;
  2. indien gebruik binnen gebouwen om redenen van hygiëne of veiligheid noodzakelijk is, gebeurt dit uitsluitend op een vloeistofdichte vloer met opvangcapaciteit gelijk aan ten minste 110% van het grootste aanwezige recipiëntvolume; spoel- en waswater wordt opgevangen en afgevoerd naar een erkende behandelingsinstallatie;
  3. opslag is uitsluitend toegestaan in een afgesloten, geventileerde ruimte met lekdichte lekbakken en vloeistofdichte vloer, met een minimaal ventilatiedebiet van vijf luchtwisselingen per uur bij 18 °C, vastgesteld volgens NBN EN 16798-3; recipiënten worden gelabeld en inkomende en uitgaande stromen worden gedurende vijf jaar traceerbaar geregistreerd;
  4. het is verboden bedoelde producten toe te passen binnen 10 meter van kolken, sleuven, drainages, grachten of andere structuren die infiltratie of snelle afvoer naar de ondergrond mogelijk maken;
  5. het aanwenden van dooimiddelen is beperkt tot verkeersveiligheidsdoeleinden en enkel op verhardingen met afkoppeling van infiltratie; alternatieve methoden genieten de voorkeur en de motivering wordt geregistreerd.

Artikel 6. ( 01/09/2025 - Regels in de kwetsbare infiltratiezone )

In de kwetsbare infiltratiezone:

  1. is het sproeien, verstuiven of vernevelen van biociden en andere producten in open lucht verboden, behoudens binnen volledig overkapte en afgedichte ruimten met opvang en behandeling van emissies;
  2. is het reinigen van oppervlakken met detergenten en ontsmettingsmiddelen in de open lucht verboden, behalve indien het waswater volledig wordt opgevangen en behandeld;
  3. zijn uitlogende coatings, impregneermiddelen en oppervlakte-actieve producten op poreuze ondergronden verboden, tenzij aangetoond wordt dat de toepassing geen meetbaar uitlogingsrisico veroorzaakt onder gestandaardiseerde testomstandigheden die door de Vlaamse overheid worden gepubliceerd;
  4. worden tijdelijke werven voorzien van voorzieningen die afstroming naar de bodem voorkomen en wordt het gebruik van bedoelde producten tot het strikt noodzakelijke beperkt en gemotiveerd in het werfverslag.

Hoofdstuk 3. Afwijkingen, vergunning en melding

Artikel 7. ( 01/09/2025 - Afwijkingsregime )

  1. De vergunningverlenende overheid kan, op gemotiveerde aanvraag, een tijdelijke en herroepbare afwijking toestaan op de artikelen 4 tot en met 6 uitsluitend om redenen van volksgezondheid, voedselveiligheid of dierenwelzijn, wanneer geen technisch haalbaar alternatief bestaat en het risico voor het grondwater aanvaardbaar is.
  2. De aanvraag bevat minstens: een risicoanalyse met kwantitatieve inschatting van uitloging of emissie, een beschrijving van preventieve en mitigerende maatregelen, een nood- en incidentenplan, een monitoringsvoorstel en een afbouwplan.
  3. Voorafgaand aan de beslissing wint de vergunningverlenende overheid het advies in van de Vlaamse Milieumaatschappij. Bij gebrek aan advies binnen dertig dagen kan zonder advies worden beslist.
  4. De afwijking wordt verleend voor maximaal vierentwintig maanden en kan éénmaal met maximaal vierentwintig maanden worden verlengd, mits actualisering van de risicoanalyse en positieve evaluatie van de monitoring.

Artikel 8. ( 01/09/2025 - Vergunning en meldingsplichten voor opslag en installaties )

  1. De opslag van meer dan 200 liter of 200 kilogram aan biociden en andere producten zoals bedoeld in artikel 2, 4°, binnen beschermingszone II of de kwetsbare infiltratiezone, is onderworpen aan omgevingsvergunning klasse 2.
  2. Opslaghoeveelheden van 20 tot en met 200 liter of 20 tot en met 200 kilogram zijn meldingsplichtig via het Vlaams Grondwaterportaal.
  3. Vaste doseer-, meng- of spoelinstallaties voor bedoelde producten binnen beschermingszone II zijn vergunningsplichtig, ongeacht de hoeveelheid.
  4. De vergunning of melding vermeldt de technische voorzieningen, de operationele voorwaarden, de toegestane productcategorieën en de maximale volumes, en bevat een plan van de locatie met aanduiding van beschermingszones.

Hoofdstuk 4. Monitoring, incidenten en rapportering

Artikel 9. ( 01/09/2025 - Monitoringprogramma en signaleringswaarden )

  1. De exploitant van de winning stelt, in overleg met de Vlaamse Milieumaatschappij, een monitoringprogramma op voor de bewaking van de grondwaterkwaliteit ter hoogte van de winning en, indien beschikbaar, in peilbuizen in de stromingsrichting.
  2. De monitoring omvat minstens kwartaalbemonstering, uitgevoerd conform NEN-EN-ISO 5667-11 en NEN-EN-ISO 5667-3, met onmiddellijke veldfiltratie op 0,45 micrometer waar relevant en gekoelde bewaring aan 4 ± 1 °C binnen twee uur na staalname, op indicatorparameters voor biociden en andere relevante productgroepen, elektrische geleidbaarheid, pH en nitraat; de lijst met indicatorparameters en de detectiegrenzen volgt de door de Vlaamse overheid gepubliceerde richtlijn.
  3. De Vlaamse Milieumaatschappij stelt signaleringswaarden vast voor de indicatorparameters. Bij overschrijding meldt de exploitant dit binnen vierentwintig uur aan de vergunningverlenende overheid en de Vlaamse Milieumaatschappij en activeert hij het nood- en onderzoeksplan.
  4. De resultaten van de monitoring worden binnen vijftien dagen na analyse opgeladen in het Vlaams Grondwaterportaal en minstens vijf jaar bewaard.

Artikel 10. ( 01/09/2025 - Incidentenbeheer en saneringsverplichting )

  1. Elke toepasser meldt onmiddellijk, en uiterlijk binnen twee uur, elk incident met morsing, lekkage of ongecontroleerde emissie van bedoelde producten binnen de zones van artikel 3 aan de exploitant van de winning, de gemeente en de Vlaamse Milieumaatschappij.
  2. De toepasser treft onmiddellijk bron- en effectgerichte maatregelen om verdere verspreiding te voorkomen, waaronder het afdammen, opzuigen en veilig afvoeren van vervuild water en residu.
  3. De veroorzaker van de verontreiniging is gehouden tot onderzoek en, indien nodig, sanering van de bodem en het grondwater volgens de toepasselijke regelgeving en instructies van de bevoegde overheid.
  4. De exploitant van de winning stelt bij incidenten desgevallend tijdelijke procesaanpassingen of extra behandeling van het proceswater in, en communiceert met afnemers in de voedingssector indien de continuïteit of kwaliteit van het proceswater in het gedrang komt.

Hoofdstuk 5. Preventieve maatregelen, infrastructuur en competenties

Artikel 11. ( 01/01/2026 - Preventieve infrastructuur en operationele maatregelen )

  1. In inrichtingen binnen beschermingszone II en de kwetsbare infiltratiezone worden zones voor opslag, mengen en doseren van bedoelde producten voorzien van vloeistofdichte vloeren, lekdetectie, randophoogte en afsluitbare opvangcapaciteit.
  2. Hemelwaterafvoeren worden afgekoppeld van potentiële emissiezones. Reinigingszones worden overkapt of uitgerust met systemen voor volledige opvang en behandeling van waswater.
  3. Bedrijven beschikken over up-to-date procedures voor gebruik en incidenten, inclusief een register van aanwezige producten, veiligheidsinformatiebladen en noodnummers. Persoonlijke beschermingsmiddelen en absorberende materialen zijn ter plaatse aanwezig.
  4. Periodieke integriteitscontroles van vloeren, lekbakken en leidingen gebeuren minstens driejaarlijks door een deskundige. Vastgestelde gebreken worden binnen redelijke termijn hersteld en gedocumenteerd.

Artikel 12. ( 01/01/2026 - Opleidings- en bekwaamheidsvereisten )

  1. Toepassers die binnen de zones van artikel 3 biociden of andere producten zoals bedoeld in artikel 2, 4°, hanteren, beschikken over een door de Vlaamse overheid erkend bekwaamheidsattest “Veilig gebruik in kwetsbare grondwaterzones”.
  2. Het attest wordt verleend na het volgen van een opleiding met modules over risico-inschatting, productkeuze, preventiemaatregelen, incidentenrespons en registraties, en na het slagen voor een toets. De opleiding omvat minimaal 7,5 contacturen en de toets wordt als geslaagd beschouwd bij een score van ten minste 80%, afgenomen onder toezicht van een onafhankelijke toezichter.
  3. Het attest is vijf jaar geldig en kan worden verlengd na het volgen van een bijscholingstraject.
  4. De exploitant van de winning verifieert jaarlijks de geldigheid van de attesten van de intern of extern ingeschakelde toepassers die binnen de beschermingszones werken.

Hoofdstuk 6. Toezicht, handhaving, overgang en evaluatie

Artikel 13. ( 01/09/2025 - Toezicht en handhaving )

  1. Onverminderd de bevoegdheden van de politie en de parketten houden de overeenkomstig het decreet van 22 juni 2012 betreffende de handhaving van de leefmilieuwetgeving aangewezen toezichthouders toezicht op de naleving van dit besluit.
  2. Overtredingen van dit besluit worden gesanctioneerd overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 22 juni 2012 betreffende de handhaving van de leefmilieuwetgeving.
  3. De vergunningverlenende overheid kan aanvullende voorwaarden opleggen of reeds verleende afwijkingen schorsen of intrekken indien de bescherming van het grondwater dit vereist.

Artikel 14. ( 01/09/2025 - Overgangsmaatregelen )

  1. Bestaande installaties en praktijken die niet conform zijn met de artikelen 5 en 11 worden binnen twaalf maanden na de inwerkingtreding van dit besluit aangepast. Gedurende die periode gelden geen verruimde gebruiksrechten en worden tijdelijke mitigerende maatregelen genomen.
  2. Voorraden van bedoelde producten die op de datum van inwerkingtreding rechtmatig aanwezig zijn binnen beschermingszone II, mogen gedurende maximaal zes maanden worden uitgefaseerd, mits opslag en gebruik overeenkomstig artikel 5 en met registratie van de aanwending.
  3. Afwijkingsaanvragen die binnen de drie maanden na de inwerkingtreding worden ingediend, kunnen, in afwachting van de beslissing, onder voorlopige voorwaarden worden uitgevoerd indien de Vlaamse Milieumaatschappij daarmee vooraf schriftelijk instemt.

Artikel 15. ( 01/09/2025 - Evaluatie )

De Vlaamse Milieumaatschappij evalueert binnen zesendertig maanden na de inwerkingtreding van dit besluit de doeltreffendheid van de voorgeschreven maatregelen op basis van monitoringsgegevens, incidentmeldingen en handhavingsresultaten, en brengt daarover verslag uit aan de Vlaamse Regering met eventuele voorstellen tot bijsturing.

Hoofdstuk 7. Slotbepalingen

Artikel 16. ( 01/09/2025 - Inwerkingtreding )

Dit besluit treedt in werking op 1 september 2025, met uitzondering van de artikelen 11 en 12 die in werking treden op 1 januari 2026.