Besluit tot vastlegging van de landspecifieke emissiefactor voor pyrolyse-olie voor het emissiejaarrapport van BKG-installaties voor de emissies van het jaar 2025

Dit besluit bepaalt de Vlaamse rekenwaarde om de uitstoot bij gebruik van pyrolyse-olie in 2025 te berekenen in jaarlijkse rapporten van installaties die broeikasgassen uitstoten.
Samenvatting in gewone taal
Dit besluit legt een Vlaamse standaardwaarde vast voor de uitstoot die telt bij het verbranden van pyrolyse-olie in 2025. Pyrolyse-olie is een vloeibare brandstof die ontstaat door het verhitten van koolstofrijk materiaal. Alle installaties die hun broeikasgasuitstoot moeten rapporteren en in 2025 pyrolyse-olie gebruiken, moeten deze waarden toepassen, ongeacht de herkomst of samenstelling van de olie. Uitzondering: wie voor dit gebruik al een door de overheid goedgekeurde, installatiespecifieke factor heeft, mag die blijven gebruiken. Zo wordt de rapportering overal gelijk en controleerbaar. De vastgelegde waarden per hoeveelheid energie (onderwaarde) zijn: - CO2: 74,8 ton per terajoule - Methaan (CH4): 3,0 kilogram per terajoule - Lachgas (N2O): 0,6 kilogram per terajoule Dit geldt voor het emissiejaarrapport over 2025 en treedt in werking op 1 februari 2025. Exploitanten, verificateurs en de overheid hebben baat bij deze duidelijke, uniforme rekenbasis.
Documenttype
Besluit
Publicatiedatum
22 mei 2026
Status
Geldig
Trefwoorden
klimaatbeleid broeikasgassen emissiefactor pyrolyse-olie rapportering industriële installaties

De Vlaamse minister van Omgeving en Klimaat,

Gelet op het decreet van 14 juni 2021 betreffende het Vlaams klimaat- en emissiebeleid, artikel 24, §1, 4°, dat de vastlegging van landspecifieke emissiefactoren delegeert aan de bevoegde minister;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 9 mei 2022 betreffende de monitoring, rapportering en verificatie van broeikasgasemissies door installaties, artikelen 7, 11 en 19;
Gelet op het advies van de Vlaamse Klimaat- en Energieadministratie, gegeven op 4 november 2024;
Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 19 november 2024;
Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 27 november 2024;
Overwegende dat voor het emissiejaarrapport van broeikasgasinstallaties van het jaar 2025 een landspecifieke emissiefactor voor pyrolyse-olie noodzakelijk is ter waarborging van uniforme en verifieerbare rapportering;
Besluit:

Artikel 1. ( 01/02/2025 - ... )

Voor de toepassing van dit ministerieel besluit wordt verstaan onder:
1° BKG-installatie: een installatie die onder het toepassingsgebied valt van de Vlaamse regels inzake monitoring, rapportering en verificatie van broeikasgasemissies;
2° emissiejaarrapport: het door de exploitant opgestelde jaarlijkse rapport met betrekking tot de broeikasgasemissies van een BKG-installatie over een kalenderjaar;
3° pyrolyse-olie: een vloeibare brandstof die hoofdzakelijk ontstaat uit thermochemische ontleding (pyrolyse) van koolstofhoudende stromen en die bedoeld is voor verbranding in stationaire installaties;
4° onderwaarde (LHV): de verbrandingswarmte van een brandstof exclusief de condensatiewarmte van waterdamp;
5° biogene koolstof: koolstof die is vastgelegd in materialen van biologische oorsprong en die onder verbranding geen netto toename van atmosferische CO2 veroorzaakt binnen de relevante accountingkaders.

Artikel 2. ( 01/02/2025 - ... )

Dit ministerieel besluit is van toepassing op alle BKG-installaties die in het emissiejaarrapport voor het emissiejaar 2025 pyrolyse-olie als brandstof rapporteren, ongeacht de herkomst of samenstelling van de gebruikte pyrolyse-olie, behoudens wanneer voor die brandstof voor het betrokken gebruiksdoel een door de bevoegde overheid goedgekeurde installatiespecifieke emissiefactor is vastgesteld overeenkomstig het besluit van de Vlaamse Regering van 9 mei 2022.

Artikel 3. ( 01/02/2025 - ... )

§1. De landspecifieke emissiefactor voor CO2 ten gevolge van de verbranding van pyrolyse-olie wordt, uitgedrukt per energie-inhoud op onderwaarde (LHV), vastgesteld op 74,8 ton CO2 per terajoule (t CO2/TJ).
§2. Voor de rapportering van overige gereguleerde broeikasgasemissies uit verbranding van pyrolyse-olie worden de volgende landspecifieke waarden vastgesteld:
- CH4: 3,0 kilogram per terajoule (kg/TJ);
- N2O: 0,6 kilogram per terajoule (kg/TJ).
§3. De in §§1 en 2 vastgestelde waarden worden toegepast in combinatie met de in het besluit van de Vlaamse Regering van 9 mei 2022 vastgelegde berekeningsmethodiek, met inbegrip van de oxidatiefactor en het gebruik van de onderwaarde. Bij ontstentenis van een gemeten of door een geaccrediteerd laboratorium gerapporteerde onderwaarde, wordt voor pyrolyse-olie een standaardonderwaarde van 19,0 megajoule per kilogram (MJ/kg) aangehouden.

Artikel 4. ( 01/02/2025 - ... )

§1. Indien de exploitant de biogene fractie van de in het emissiejaar 2025 verbruikte pyrolyse-olie aantoont aan de hand van representatieve staalname en analyse, uitgevoerd door een laboratorium dat geaccrediteerd is overeenkomstig NBN EN ISO/IEC 17025 voor de desbetreffende methoden, wordt voor de overeenkomstige biogene koolstofemissies een emissiefactor van 0 t CO2/TJ toegepast. De fossiele fractie wordt berekend als het complement tot 100% en daarop is de in artikel 3, §1, vastgestelde factor van toepassing.
§2. Bij ontstentenis van een overeenkomstig §1 onderbouwde biogene fractie wordt de fossiele koolstoffractie van pyrolyse-olie gelijkgesteld aan 100%.
§3. De in §1 bedoelde staalname en analyse gebeuren op basis van een vooraf opgestelde en door de geaccrediteerde verificateur van het emissiejaarrapport goedgekeurde bemonsterings- en analyseprocedure die de representativiteit van de stalen over het volledige emissiejaar aantoont.

Artikel 5. ( 01/02/2025 - ... )

§1. De exploitant gebruikt de in artikel 3 vastgestelde landspecifieke waarden in het emissiejaarrapport voor het jaar 2025, tenzij voor de betrokken installatie en brandstof een installatiespecifieke emissiefactor is goedgekeurd overeenkomstig artikel 11 van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 mei 2022.
§2. De exploitant bewaart alle onderliggende bewijsstukken die de toepassing van dit ministerieel besluit staven, met inbegrip van, in voorkomend geval, de in artikel 4 bedoelde staalname- en analyserapporten, de berekeningen van de energie-inhoud, en de toegepaste emissiefactoren, gedurende minstens tien jaar na de indiening van het emissiejaarrapport over 2025 en stelt die op eerste verzoek ter beschikking van de bevoegde overheid en de geaccrediteerde verificateur.
§3. Wanneer voor een levering van pyrolyse-olie bijkomende, door de leverancier gevalideerde gegevens over samenstelling of onderwaarde beschikbaar zijn, kunnen die gegevens uitsluitend worden gebruikt ter bepaling van de energie-inhoud. Zij laten de toepassing van de in artikel 3 vastgestelde emissiefactoren onverlet, behoudens wanneer krachtens artikel 2 een installatiespecifieke factor van toepassing is.

Artikel 6. ( 01/02/2025 - ... )

Dit ministerieel besluit treedt in werking op 1 februari 2025 en is uitsluitend van toepassing op het emissiejaarrapport van BKG-installaties voor de emissies van het jaar 2025.